Impact van bibliotheken: Oakleaf op LILAC 2012
In een sprankelende keynote van Megan Oakleaf werden we met de neus op de feiten gedrukt. Een bibliotheek heeft toegevoegde waarde als zij iets bijdraagt aan het behalen van de doelen van de moederorganisatie. In het onderwijs is dat onder andere “het leren van studenten”. We kunnen als bibliotheken nog helemaal niet aantonen dat wij daaraan bijdragen, want we kennen de feiten niet. Er komen wel steeds meer bewijzen *) voor de positieve correlatie tussen bibliotheekgebruik en het behalen van hogere cijfers, maar daarmee is niet het bewijs geleverd dat de bibliotheek ook daadwerkelijk bijdraagt aan het leren, onderwijs en studiesucces. In een veelbesproken artikel licht Oakleaf deze stelling nader toe: Are they learning? Are we?. We verzamelen domweg niet genoeg gegevens hierover en als we dat wel doen, dan doen we het niet systematisch. En zoals Oakleaf Deming citeerde: “In God we trust, all others must bring data”. Aan de hand van het bijgevoegde schema kan je deze zaken wel handig in kaart brengen.
*)
Huddersfield: Does library use affect student attainment? A preliminary report on the Library Impact Data Project
Wollongong: Measuring the value of library resources and student academic performance through relational datasets
Hongkong: Uncovering Meaningful Correlation between Student Academic Performance and Library Material Usage
Literatuurlijsten en informatievaardigheid: LILAC 2012
Afgelopen week was ik aanwezig bij het LILAC 2012 congres in Glasgow. Hier werd een aantal presentaties gegeven over de relatie tussen literatuurlijsten en informatievaardigheid. Een intrigerend onderwerp! In de presentatie “How can reading lists be effective information literacy tools?” bespraken medewerkers van de Robert Gordon University hoe zij verbanden gelegd hebben tussen literatuurlijsten en de information literacy skills van CILIP. Hun conclusies:
Alle lijsten hebben invloed op:
- besef dat je informatie nodig hebt
- bewustwording dat er meerdere bronnen beschikbaar zijn
- zoeken naar informatie in de catalogus en andere bestanden
Sommige lijsten hebben invloed op:
- evalueren van de resultaten
- verwerken van de informatie
Vrijwel nooit hebben lijsten invloed op:
- integer omgaan met informatie
- delen van informatie
- managen van informatie
Interessant is de gedachte dat je literatuurlijsten expliciet kunt richten op het informatievaardiger maken van studenten. Daartoe kan je bijvoorbeeld de taakgerichte opdrachten in de lijst invoegen, zoals een zoekopdracht in een database. Ook kan je verschillende soorten informatiebronnen opnemen in een lijst, en niet alleen boeken. Verder is het goed om rekening te houden met het niveau van de studenten: beginners kan je wat meer hulp bieden dan bijna afgestudeerden. Volgens de sprekers bestaat een goede bronnenlijst uit een structuur (verplicht, aanbevolen..), korte annotaties en een selectie van diverse bronnen (boeken, artikelen, video, etc). Bovendien is een goede lijst alleen maar goed als de bibliotheek de lijst ook kent! De sprekers pleitten voor sjablonen of checklists tbv het maken van literatuurlijsten.
Een andere presentatie sloot mooi aan op de vorige: Reading lists- time for a reality check? door medewerkers van de University of Northampton. Zij onderzochten de kwaliteit van literatuurlijsten: schrikbarend! Maar liefst 42% van de referenties was onjuist, 23% van de referenties betrof verouderde boeken, 97% van de e-books werd als gedrukt boek opgegeven en 73% bestond uit boeken terwijl docenten aangaven dat studenten zo weinig artikelen lazen. Kortom: het was duidelijk dat docenten geen prioriteit geven aan het maken van goede literatuurlijsten. Om de docenten te helpen de kwaliteit van de lijsten te verbeteren hebben ze een checklist gemaakt, waarbij ze erop aandringen dat docenten gebruik maken van de verplichte referentiestijl van de universiteit (Harvard style). Ook hebben ze een aantal voorbeeldlijsten gemaakt.
Op een vraag van mij naar het gebruik van readers in het onderwijs schoot men in de lach: die worden niet meer gemaakt. De meeste bibliotheken maken gebruik van speciale software voor het aanbieden van literatuurlijsten in de digitale leeromgeving. Bovendien worden readers gezien als tamelijk dodelijk voor het aanleren van informatievaardigheid.
Achtergrondliteratuur: Stokes, P., and Martin, L., (2008). Reading lists: a study of student and tutor perceptions, expectations, and realities. Studies in higher education, 33(2), pp. 113-125
Martin, L. and Stokes, P. (2006) Reading lists under the spotlight: Cinderella or superstar? SCONUL Focus. 37 (Spring), 33-36.
Gebruiken wetenschappers bibliotheekcollecties?
Begin februari publiceerde JISC een omvangrijke (136 blz) samenvatting van het onderzoek UK Scholarly reading and the value of library resources geschreven door Carol Tenopir en Rachel Volentine. Het onderzoek is uitgevoerd onder wetenschappelijk medewerkers en docenten van zes Britse universiteiten. In totaal beantwoordden ruim 2100 wetenschappers vragen over het gebruik van artikelen, boeken en social media. Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de critical incident methode (“de laatste keer dat ik een artikel las, deed ik dat omdat…)
Het voert wat ver om de samenvatting van 136 bladzijden in een paar regels in een weblog weer te geven. Daarom slechts een greep uit de vele resultaten:
Wetenschappers gebruiken ongeveer 22 artikelen per maand, die voor 94% geleverd worden door de bibliotheek.
Zonder bibliotheek hadden wetenschappers 17% van de gebruikte artikelen niet kunnen vinden of verkrijgen.
Boeken lezen vinden wetenschappers zeer belangrijk, maar slechts 26% van de boeken wordt geleend uit de bibliotheek. Veel wetenschappers kopen hun eigen boeken of krijgen ze gratis van uitgevers.
En tenslotte een conclusie die momenteel steeds opnieuw in andere jasjes opduikt: succesvolle wetenschappers lezen meer artikelen en boeken. Geen oorzaak-gevolg relatie, maar wel een statistisch aantoonbaar verband waarmee sommige bibliotheken hun toegevoegde waarde willen bewijzen. Voor wat het waard is!
Werkt bibliotheekinstructie?
Deze vraag stellen we ons allemaal, maar de bibliotheek van de University of Wyoming maakte er werk van. Zij gingen serieus aan de slag, en deden een gedegen onderzoek. Het resulterende artikel is recent gepubliceerd* . Niet om van je stoel te vallen van verbazing, maar wel de moeite van het lezen waard. De meest interessante onderzoeksvraag is: wat is de relatie tussen studiesucces en informatievaardigheidsinstructie?
Om hier een antwoord op te vinden hebben ze om te beginnen de studieresultaten van ruim 4000 studenten verzameld. Deze studieresultaten hebben ze gecombineerd met het aantal door deze studenten gevolgde instructies. Dit leverde een statistisch verband op. Het blijkt dat studenten die op meerdere momenten in de studie instructie hadden gevolgd ook hogere resultaten in de studie behaalden. Dit is natuurlijk geen keiharde oorzaak-gevolg relatie omdat er zoveel meer factoren invloed hebben op studiesucces. Daarom hebben ze vervolgens focusgroepen georganiseerd. In die gesprekken werd duidelijk dat studenten de voorkeur hebben voor meerdere instructie momenten; aan het begin een kennismaking met de bibliotheek en verderop in de studie een kennismaking met vakspecifieke informatiebronnen. De studenten gaven aan veel aan de instructies te hebben gehad. Helaas een erg open deur.
Het artikel biedt een overzicht van relevante literatuur en een tabel waarin de verschillende leerdoelen aan verschillende fasen in de studie zijn gekoppeld.
* Bowles-Terry, M. (2012) Library instruction and academic success: a mixed-methods assessment of a library instruction program. Evidence based library and information practice 7:1.
Kater van Google?
Er lijkt van alles aan de hand rondom Google. Gisteren meldde de Wall Street Journal dat Google werkt aan een nieuwe manier van presenteren van zoekresultaten. Google gaat antwoord geven op vragen, gaat semantisch zoeken (dat doen ze toch al?) en gaat rekening houden met de plaats en de tijd waarop gezocht wordt. Met name over die tijd breek ik mijn hersens. Wil ik s’avonds andere antwoorden dan in de ochtend? Als ik ‘s morgens op “kater” zoek, krijg ik dan andere informatie dan wanneer ik dat laat in de middag doe? Doel van deze hele operatie is dat Google nóg betere advertenties aan mij kan presenteren. Ja ja, dat is de laatste tijd steeds het geval. Alles draait om advertenties bij Google. Zoals een ex-werknemers van Google, James Whittaker, het eerder deze week verwoordde: “Ik werkte bij een innovatief technologie bedrijf, maar toen ik er vertrok was het een gewoon reclamebedrijf”. Maar ik wíl helemaal geen advertenties!
Deze week was er ook rumoer over Google Books. Het lijkt erop dat het tempo van het scannen eruit is geraakt melden grote Amerikaanse universiteitsbibliotheken. En in de Engelse versie van Google is Google Scholar zodanig verstopt dat het bijna niet meer vindbaar is. zie het berichtje mét afbeelding van Dymphie hierover. Daarover wordt kennelijk nog wel gediscussieerd, hopelijk wordt het teruggedraaid.
Natuurlijk was er ook deze week het gebruikelijke gedoe over de privacy.
Als Google zo doorgaat, dan graven ze hun eigen graf. Dan wordt het een advertentiemachine in plaats van een zoekmachine. Wie weet, komt de bibliotheek dan weer in beeld! Er is hoop…
Information overload: James Gleick
James Gleick schreef een dikke pil over informatie. Het boek lag al een tijdje in mijn boekenkast, maar ik moest moed verzamelen om eraan te beginnen. Het is nou niet bepaald een lekker boek op het nachtkastje, dus een aantal vrije dagen met slecht weer kwamen goed uit. De Nederlandse vertaling van de titel is wat vreemd: Informatie: van tamtam tot internet. De oorspronkelijke titel The Information: A History, a Theory, a Flood doet de inhoud van het boek meer recht.
Ik moet maar meteen bekennen dat ik niet alle hoofdstukken goed heb bestudeerd. Het boek gaat namelijk niet zo zeer over informatie, maar meer over communicatie, specifiek over de wijze waarop mensen door de eeuwen heen informatie coderen om het met anderen te kunnen delen. Gleick geeft een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop in Afrika met tamtams berichten werden doorgezonden, gaat vervolgens door over de ontwikkeling van het schrift, het alfabet, boekdrukkunst, cijfers en algebra, telegraafpalen, telefoons, DNA en genetica en eindigt bij internet. Het is heel wat wetenschapsgeschiedenis die op deze manier voorbij komt. Veel daarvan is erg interessant. En leesbaar opgeschreven, met veel anekdotes, tekeningen en citaten. Het is alleen heel erg veel, en soms ver af van het vakgebied dat ik als informatiespecialist, als het mijne beschouw. Veel information overload, dus.
James Gleick is bijna een uur aan het woord in een praatje dat hij bij Google gaf nav dit boek: http://www.youtube.com/watch?v=iyOzSzcDwg8
Wetenschappelijke Bibliotheken op koers?
Het kan niemand ontgaan zijn dat eind 2011 het rapport “Redefining the academic library: managing the migration to digital information services” is verschenen. Een must read voor ons soort mensen! Dat is luid en duidelijk rondgetwitterd. Tijd om er meer dan 140 tekens aan te besteden! Dit staccato geschreven rapport is bedoeld voor Amerikaanse CvB-voorzitters en geeft een snel en compleet overzicht van de recente en gewenste veranderingen in academische bibliotheken en hun omgeving. De auteurs (University Leadership Council) hebben zich gebaseerd op recente onderzoeken en gesprekken met bijna 100 experts uit het brede informatielandschap en wetenschappelijke bibliotheken. Het rapport begint met een zestal ontwikkelingen die de urgentie van radicale veranderingen onderstrepen. Nadat je hierdoor bent wakker geschud worden de ontwikkelingen op vier terreinen puntsgewijs beschreven. Het gaat hierbij om gebruik van digitale collecties, veranderingen in wetenschappelijk uitgeefmodel, herbezinning op het ruimtegebruik in de bibliotheek en herschikking van bibliotheekwerkzaamheden. Om de drukke managers te helpen is een soort diagnostisch instrument bijgevoegd. Die vragenlijst heeft betrekking op je eigen bibliotheekpraktijk, en geeft na invullen aan welke paragrafen gelezen moeten worden. Ik vraag me écht af of er CvB’s zijn die deze lijst kunnen invullen, maar zelf vond ik het een prachtige manier om eens te kijken of we in Leiden op koers zijn.
Wat zijn de belangrijkste aanjagers van de noodzakelijke koerswijziging? Het rapport somt op:
- Uit de pan rijzende kosten voor (vooral) abonnementen/licenties
- De slagkracht en omvang van alternatieven, zoals Google en Amazon
- Het afnemende gebruik van traditionele bibliotheekdiensten
- Veranderingen in de behoefte van klanten
Wat betekent dit? Als je nu een nieuwe wetenschappelijke bibliotheek zou inrichten, hoe zou die er dan uitzien? Het rapport heeft hiervan een mooi voorbeeld, de bibliotheek van de University of California Merced. Opvallend aan deze bibliotheek: minimale fysieke collectie, patron driven acquisition, toegang tot een grote gemeenschappelijke collectie, outsourced boekverwerking, virtuele inlichtingenservice en selfservice.
Vervolgens gaat het rapport dieper in op een aantal van de eerder genoemde onderwerpen, waarbij mij opvielen:
- Gooi de enorme magazijncollecties die (vrijwel) nooit gebruikt worden eruit, verplaats ze naar centrale magazijnen elders, en maak de ruimte vrij voor nieuwe diensten
- In plaats van big deals is een model van pay-per-view voor artikelen een geschikt alternatief (pda voor artikelen)
- Discovery layers, zoals Primo, bieden klanten die graag langs boekenplanken snuffelen, een prima (en zelfs beter) digitaal alternatief. Open opstellingen kunnen véél kleiner.
- Benut de bibliotheekruimte anders: “the environment of the library supports not its storage, but its use”. Integreer diensten die studenten ondersteunen bij hun studie, zoals talencentra, statistische hulp of schrijfcentra.
En hoe staat het in Leiden? Voor zover ik kan het kan bekijken liggen we heel behoorlijk op koers, maar hebben we ook nog wel wat lastige stormen te overwinnen.
Zelfoverschatting ten aanzien van informatievaardigheid
Eigenlijk weten we het allang, maar het is fijn als het weer eens in een onderzoek* bevestigd wordt: studenten overschatten zichzelf enorm als het gaat om hun informatievaardigheid. In een onderzoek onder bijna 600 Amerikaanse college studenten is uitgezocht hoe het gesteld is met hun informatievaardigheid (mbv de ILT-test). Deze test werd afgenomen bij de start van hun studie. Meer dan 80% van de studenten scoorde hierbij een onvoldoende. Maar liefst 75% dacht echter voorafgaand aan deze test voldoende informatievaardig te zijn. Na de test werd hen opnieuw gevraagd hoe ze dachten dat ze gescoord hadden (de test voorziet niet in feedback en de studenten hadden hun score niet vernomen) en toen dacht toch nog 68% het er goed afgebracht te hebben. Ze waren op dat moment dus nog steeds “onbewust onbekwaam”.
Deze studenten strooien zichzelf en hun docenten zand in de ogen als ze verklaren voldoende competenties te hebben op het gebied van informatievaardigheid. Wat volgens mij ook meespeelt is dat veel studenten (en docenten?) het concept “informatievaardigheid” vertalen als “ik kan alles vinden”. Dat het een veel breder concept is, dat zich uitstrekt van zoeken tot wetenschappelijk publiceren, is nog steeds niet bij iedereen bekend.
Ook opvallend is het feit dat de studenten te weinig geschoold waren in het (Amerikaanse) voortgezet onderwijs. In Nederland is de situatie niet veel rooskleuriger. De eerstejaars studenten die wij ontmoeten tijdens onze cursussen blijken zelfs amper Google-vaardig te zijn, kennen Google Scholar of Google Books niet, en plagiëren er volkomen argeloos lustig op los. Er valt nog een wereld te winnen op dit gebied! Bijvoorbeeld: het beoordelen van zoekresultaten is een ondergeschoven kindje, wat zich steeds meer gaat fnuiken. Enkele weken geleden verscheen in Wired een alarmerend artikel hierover: http://www.wired.com/magazine/2011/11/st_thompson_searchresults/ Ik citeer: “If they’re naive at Googling, it’s because the ability to judge information is almost never taught in school.”
* Het volledige artikel: Gross, M. Lathan, D. (2011) What’s skill got to do with it? Information literacy skills and self-views of ability among first-year college students. Journal of the American Society for Information Science and Technology (62) 12. Met dank aan de collega’s uit Delft voor de tip!
Mediawijsheid gemeten
Iedereen lijkt zich opeens te storten op mediawijsheid. Eind september verscheen een omvangrijke publicatie met als titel: Meten van mediawijsheid: een studie naar een raamwerk, meetmiddelen en toepassing hiervan. Een projectgroep, gevormd door medewerkers van Blik op Media, Cinekid, Eye Film Instituut Nederland, Nieuws in de Klas, TNO en de Thorbecke Scholengemeenschap, heeft zich uitputtend met het onderwerp beziggehouden. Doel van het onderzoek was een meetinstrument te ontwikkelen waarmee mediawijsheid gemeten kan worden. Dat is grondig aangepakt. Vanuit de definitie van mediawijsheid worden vier kerncompetenties geformuleerd, die vervolgens in indicatoren worden vertaald. De vier kerncompetenties zijn Gebruik (technisch gericht, bediening van apparaten); Kritisch begrip; Communicatie; Strategie (beredeneerde keuzes maken voor mediagebruik). Een voorbeeld van een indicator die bij Kritisch begrip hoort is: Begrijpen hoe media-inhoud op specifieke doelgroepen wordt afgestemd. Nadat het raamwerk was beschreven zijn twee pilots uitgevoerd om te onderzoeken of de indicatoren helpen bij het meten van (aspecten) van mediawijsheid. De eerste pilot betrof een onderzoek naar reclamebeinvloeding bij scholieren. De conclusie is eerlijk en teleurstellend: het meetinstrument was niet betrouwbaar en dus onbruikbaar. Een tweede pilot betrof interviews van een groep licht verstandelijk gehandicapten. Zij werden ondervraagd over hun internetgebruik en hun besef van de (on)veiligheid daarvan. Helaas was ook hier het meetinstrument niet goed genoeg, want teveel toegespitst op kennis in plaats van op gedrag, wat bij deze doelgroep passender was geweest.
Ondanks deze tegenvallers is het rapport zeer de moeite waard, vooral vanwege het raamwerk dat een dappere poging is om het vage begrip mediawijsheid heel wat concreter te maken. Hier kan op voortgebouwd worden.
Overigens wordt in het rapport nergens gerept over de door UNESCO genoemde naar elkaar toe groeien van informatievaardigheid en mediawijsheid. In dat rapport wordt gesproken over Media- and Information literacy. Wellicht kwam dát rapport net te laat.
Unesco’s indicatoren voor media- en informatievaardigheid
Unesco streeft naar maximale maatschappelijke participatie van burgers. Een van de onderwerpen waarmee ze zich in dit kader bezighouden is mediawijsheid en informatievaardigheid. Unesco heeft nu een rapport uitgebracht waarin een tweetal sets indicatoren wordt gepresenteerd om Media and Information Literacy (MIL) te meten. De eerste set is bedoeld om de MIL van een land in kaart te brengen. De tweede set richt zich op individuele vaardigheden. Het aardige is dat Unesco constateert dat er weinig verschil zit in de algemene concepten van mediawijsheid en informatievaardigheid. Het lijkt me echter een hele klus om de indicatoren op nationaal niveau boven water te halen. Wat te denken van de volgende indicatoren?
% of .edu websites relative to the total number of websites
% of .gov websites relative to the total number of websites
En deze lijkt me ook verdraaid ingewikkeld meetbaar: Parental control of media
Maar vooruit, het geheel is een goed begin en het zet een belangwekkend onderwerp weer eens op de kaart buiten de bibliotheekomgeving. Het volledige rapport: http://www.ifla.org/files/information-literacy/publications/UNESCO_MIL%20Indicators_Background_Document_2011_final.pdf
