Categorie archief: Informatievaardigheid

Open deuren voor gasten en bewoners

Vorige maand verscheen een tussenrapportage van het OCLC/Oxford/JISC project Digital Visitors and Residents. Het project bouwt voort op een  publicatie van White en le Cornu (leden van het onderzoeksteam) uit 2011: Visitors and Residents  waarin het begrip “digital native” definitief met de grond wordt gelijk gemaakt. We spreken voortaan over digitale gasten of digitale bewoners. De gasten gebruiken internet functioneel en zijn online wanneer dat nodig is; de bewoners leven online en maken amper onderscheid tussen de echte en virtuele wereld. Sommige mensen switchen tussen Gast (in hun professionele rol) en Bewoner (privé). In dit deel van het OCLC/OXFORD/JISC onderzoek is een kleine groep jongeren (eind voortgezet onderwijs – eerste  jaar universiteit) diepgaand geinterviewd over hun omgang met informatie.

Wat blijkt:

Gemak is de belangrijkste factor in het informatiegedrag van jongeren. Google, Wikipedia en syllabi van docenten worden het meest gebruikt bij het zoeken naar informatie. Daarbij wordt opgemerkt dat Wikipedia-gebruik besmuikt wordt toegegeven; de meeste jongeren denken dat ze het niet in de onderwijsomgeving mogen gebruiken. Van Google balen ze eigenlijk wel: ze willen direct een antwoord op hun vraag, in plaats van een serie links naar websites. De jongeren realiseren zich dat ze moeite hebben met het selecteren van kwalitatief goede bronnen. Het zou ze helpen als ze zouden weten hoe de ranking van Google écht werkt. Nu gaan ze ervan uit dat de eerste resultaten ook de beste zijn. In de resultaten van de interviews wordt verder niet dieper ingegaan op het onderscheid tussen visitors en residents.

Tot nu toe levert het onderzoek voornamelijk open deuren op: de bevestiging van wat we al wisten uit de onderzoeken van het Project Information Literacy van Alison Head. Het onderzoek gaat echter voort en onderzoekt jongeren ook in latere fases van hun academische carrière. Dat zal in de toekomst ongetwijfeld interessantere resultaten opleveren.

Cursus Open access voor scholieren

Het maken van een profielwerkstuk in het voortgezet onderwijs kan gezien worden als “wetenschap in het klein”, een vingeroefening voor het grote werk op de universiteit. Toch maken leerlingen in de hogere klassen van het VWO  weinig gebruik van wetenschappelijke informatie, zoals die in open access bronnen beschikbaar is. Dat is niet zo vreemd: ze kennen deze bronnen niet. Vanuit dat idee werd de Bronnenwijzer bedacht, een webbased cursus over open access, speciaal bedoeld voor leerlingen in de hoogste klassen van het VWO. De cursus is met subsidie van Mediawijzer ontwikkeld door het ICLON, de Universitaire Bibliotheken Leiden en enkele scholen voor voortgezet onderwijs.

In de cursus leren deelnemers wat open access is, welke bronnen ze kunnen gebruiken en hoe ze de gevonden informatie volgens de regelen der kunst kunnen gebruiken.

De cursus is serieus, maar heeft een speelse opzet. Overal zitten linkjes naar filmpjes en complementaire informatie en het geheel wordt afgesloten met een quiz.

De cursus is uitgeprobeerd op ruim 80 jonge deelnemers van het Leiden Pre-University College. Dat zijn slimme jongeren, die alvast een voorproefje nemen op het universitaire onderwijs. Het lijkt erop dat deze aankomende studenten veel hebben geleerd: meer dan 90% geeft aan nu te weten wat open access is! En bijna 85% zal met open access materiaal aan de slag gaan voor het schrijven van werkstukken.

De cursus is ook uitgeprobeerd op het Wetenschapscongres van het ICLON, waar 50 jongeren deelnamen aan een workshop van 30 minuten. De workshop was gebaseerd op de Bronnenwijzer. Hun oordeel was eensluidend: een erg nuttige workshop!

Sinds juni 2012 kunnen leerlingen in het voortgezet onderwijs, 5/6 VWO, gebruik maken van de bronnenwijzer.

Achtergrondinformatie over het project is te vinden op: 
http://www.mediawijzer.net/projects/het-begint-bij-de-bron-fonds-mediawijzer-2011


The informed researcher

Het Researcher Development Framework is kort geleden opgeleverd en biedt een schematisch overzicht van de competenties waaraan een wetenschappelijk onderzoeker moet voldoen. In mijn vorige post schreef ik hierover. Nu blijkt dat het de bedoeling is dat er op basis van dit framework specifieke onderwerpen verder worden uitgewerkt; men noemt dit een “lens”. De vijfde  lens in deze serie is informatievaardigheid. Hiervoor is het SCONUL Seven Pillars model op het framework geplakt, en is ieder kwadrant uitgewerkt in termen van informatievaardigheden. Dit vormt een handig overzicht voor mensen die onderzoekers in opleiding begeleiden vanuit de bibliotheek. Je zou het ook in een gesprek kunnen gebruiken om aankomende onderzoekers duidelijk te maken dat informatievaardigheid niet alleen in de beginfase van een onderzoek nuttig is. Informatievaardigheid als onderdeel van onderzoeksvaardigheid.
Het schema wordt begeleid door een uitgebreide  brochure ”The informed researcher” waarin ieder partje uit de kwadranten op een voor jonge onderzoekers aansprekende manier wordt beschreven. Zo is de laatste paragraaf getiteld “Am I famous yet?” en hierin wordt ingegaan op de betekenis van de H-index.

Reaching researchers: LILAC 2012

Een aantal presentaties ging over de manier waarop de bibliotheek ondersteuning biedt aan onderzoekers. Uit de presentaties bleek dat je creatief moet zijn om onderzoekers te bereiken, want ze hebben op de eerste plaats geen tijd en op de tweede plaats denken ze vaak dat ze alles op het gebied van informatievaardigheid al weten. Dat is niet het geval, dat bleek al in 2008 in het RIN rapport Mind the skills gapOok in het recente RIN rapport The role of research supervisors in information literacy wordt dit beeld bevestigd.

De Graduate School van de University of Liverpool heeft een framework voor de opleiding van onderzoekers ontwikkeld waarin informatievaardigheid geintegreerd is opgenomen.  Uiteraard is dit framework een wiel!

Vanuit de bibliotheek in Liverpool worden ‘events’ voor onderzoekers georganiseerd, bijvoorbeeld lunch bijeenkomsten over de manier hoe je er het beste voor kunt zorgen dat je als auteur goed scoort, wat citatie-analyses zijn, wat impactfactoren betekenen.  Andere onderwerpen die aan bod komen zijn twitter voor onderzoekers, gebruiken van advanced zoeken in Google, hoe werkt de university press, werken met Endnote. Het zijn typisch onderwerpen die  onderzoekers aanspreken en ze worden met opzet niet in de vorm van een cursus gegoten.

Een vorm waarbij studenten al vroeg bekend worden gemaakt met wetenschappelijk publiceren is ontwikkeld in St Andrews University. Zij hebben een peer reviewed e-journal gelanceerd, waarin tweedejaars studenten publiceren. Het gaat om het tijdschrift Ethnographic Encounters, dat via de software Open Journals System is ontwikkeld.

Meer informatie over bibliotheek support voor onderzoekers is te vinden in:

OCLC: A slice of research life: information support for research in the United States
RLUK: Re-skilling for research

Over pizza’s en wielen: frameworks op LILAC12

In Groot-Brittannie is nagedacht over de herziening van het concept “Informatievaardigheid”. Belangrijkste bezwaar tegen de bestaande concepten is het feit dat deze bijna allemaal lineair zijn, terwijl informatievaardigheid als een iteratief (en cyclisch) proces wordt beschouwd. Bovendien zijn de “oude”  concepten teveel bibliotheekgericht en wil men in de herijking van het begrip de student en haar leerervaring centraal plaatsen. Dit heeft geleid tot twee nieuwe schema’s.

Sconul (de Britse UKB) werkte altijd al met de seven pillars of information literacy; die zijn nu ondergebracht in wiel.

In Cambridge is een soort karrenwiel ontwikkeld: ANCIL.

Met name in deze benadering zie je dat de student centraal is geplaatst en dat informatievaardigheid geintegreerd is in andere vaardigheden, zoals leren leren. Het model staat ook bekend als ANCIL: a new curriculum in information literacy. In een video vertellen betrokkenen wat ANCIL is en hoe het gebruikt kan worden in het onderwijs.
Beide modellen zijn bruikbaar om in gesprek met docenten de integratie van informatievaardigheid in het onderwijs te bespreken.

Veel mensen gebruiken inmiddels de metafoor Pizza voor deze wielen: er kunnen op maat punten uit gesneden worden, en die kunnen voorzien worden van een topping naar keuze. Zoals dat dan gaat tijdens een congres heb ik meerdere plaatjes van pizza’s de revue zien passeren. Tijdens het congres begreep ik dat ook de ACRL bezig is om haar standard te moderniseren. Zal het een wiel worden?

Sconul achtergrond publicatie:
http://www.sconul.ac.uk/groups/information_literacy/publications/researchlens.pdf

Cambridge achtergrond:
http://newcurriculum.wordpress.com/

Literatuurlijsten en informatievaardigheid: LILAC 2012

Afgelopen week was ik aanwezig bij het LILAC 2012 congres in Glasgow. Hier werd een aantal presentaties gegeven over de relatie tussen literatuurlijsten en informatievaardigheid. Een intrigerend onderwerp! In de presentatie “How can reading lists be effective information literacy tools?” bespraken medewerkers van de Robert Gordon University hoe zij verbanden gelegd hebben tussen literatuurlijsten en de information literacy skills van CILIP.  Hun conclusies:

Alle lijsten hebben invloed op:
- besef dat je informatie nodig hebt
- bewustwording dat er meerdere bronnen beschikbaar zijn
- zoeken naar informatie in de catalogus en andere bestanden

Sommige lijsten hebben invloed op:
- evalueren van de resultaten
- verwerken van de informatie

Vrijwel nooit hebben lijsten invloed op:
- integer omgaan met informatie
- delen van informatie
- managen van informatie

Interessant is de gedachte dat je literatuurlijsten expliciet kunt richten op het informatievaardiger maken van studenten. Daartoe kan je bijvoorbeeld de taakgerichte opdrachten in de lijst invoegen, zoals een zoekopdracht in een database. Ook kan je verschillende soorten informatiebronnen opnemen in een lijst, en niet alleen boeken. Verder is het goed om rekening te houden met het niveau van de studenten: beginners kan je wat meer hulp bieden dan bijna afgestudeerden. Volgens de sprekers bestaat een goede bronnenlijst uit een structuur (verplicht, aanbevolen..), korte annotaties en een selectie van diverse bronnen (boeken, artikelen, video, etc).  Bovendien is een goede lijst alleen maar goed als de bibliotheek de lijst ook kent! De sprekers pleitten voor sjablonen of checklists tbv het maken van literatuurlijsten.

Een andere presentatie sloot mooi aan op de vorige: Reading lists- time for a reality check? door medewerkers van de University of Northampton. Zij onderzochten de kwaliteit van literatuurlijsten: schrikbarend! Maar liefst 42% van de referenties was onjuist, 23% van de referenties betrof verouderde boeken, 97% van de e-books werd als gedrukt boek opgegeven en 73% bestond uit boeken terwijl docenten aangaven dat studenten zo weinig artikelen lazen. Kortom: het was duidelijk dat docenten geen prioriteit geven aan het maken van goede literatuurlijsten. Om de docenten te helpen de kwaliteit van de lijsten te verbeteren hebben ze een checklist gemaakt, waarbij ze erop aandringen dat docenten gebruik maken van de verplichte referentiestijl van de universiteit (Harvard style). Ook hebben ze een aantal voorbeeldlijsten gemaakt.

Op een vraag van mij naar het gebruik van readers in het onderwijs schoot men in de lach: die worden niet meer gemaakt. De meeste bibliotheken maken gebruik van speciale software voor het aanbieden van literatuurlijsten in de digitale leeromgeving. Bovendien worden readers gezien als tamelijk dodelijk voor het aanleren van informatievaardigheid.

Achtergrondliteratuur: Stokes, P., and Martin, L., (2008). Reading lists: a study of student and tutor perceptions, expectations, and realities. Studies in higher education, 33(2), pp. 113-125

Martin, L. and Stokes, P. (2006) Reading lists under the spotlight: Cinderella or superstar? SCONUL Focus. 37 (Spring), 33-36.

Werkt bibliotheekinstructie?

Deze vraag stellen we ons allemaal, maar  de bibliotheek van de University of Wyoming maakte er werk van. Zij gingen serieus aan de slag, en deden een gedegen onderzoek. Het resulterende artikel is recent gepubliceerd* . Niet om van je stoel te vallen van verbazing, maar wel de moeite van het lezen waard. De meest interessante onderzoeksvraag is:  wat is de relatie tussen studiesucces en informatievaardigheidsinstructie?

Om hier een antwoord op te vinden hebben ze om te beginnen de studieresultaten van ruim 4000 studenten verzameld. Deze studieresultaten hebben ze gecombineerd met het aantal door deze studenten gevolgde instructies. Dit leverde een statistisch verband op. Het blijkt dat studenten die op meerdere momenten in de studie instructie hadden gevolgd ook hogere resultaten in de studie behaalden. Dit is natuurlijk geen keiharde oorzaak-gevolg relatie omdat er zoveel meer factoren invloed hebben op studiesucces. Daarom hebben ze vervolgens focusgroepen georganiseerd. In die gesprekken werd duidelijk dat studenten de voorkeur hebben voor meerdere instructie momenten; aan het begin een kennismaking met de bibliotheek en verderop in de studie een kennismaking met vakspecifieke informatiebronnen. De studenten gaven aan veel aan de instructies te hebben gehad. Helaas een erg open deur.
Het artikel biedt een overzicht van relevante literatuur en een tabel waarin de verschillende leerdoelen aan verschillende fasen in de studie zijn gekoppeld.

* Bowles-Terry, M. (2012) Library instruction and academic success: a mixed-methods assessment of a library instruction program. Evidence based library and information practice 7:1.

Zelfoverschatting ten aanzien van informatievaardigheid

Eigenlijk weten we het allang, maar het is fijn als het weer eens in een onderzoek* bevestigd wordt: studenten overschatten zichzelf enorm als het gaat om hun informatievaardigheid. In een onderzoek onder bijna 600 Amerikaanse college studenten is uitgezocht hoe het gesteld is met hun informatievaardigheid (mbv de ILT-test). Deze test werd afgenomen bij de start van hun studie. Meer dan 80% van de studenten scoorde hierbij een onvoldoende. Maar liefst 75% dacht echter voorafgaand aan deze test voldoende informatievaardig te zijn. Na de test werd hen opnieuw gevraagd hoe ze dachten dat ze gescoord hadden (de test voorziet niet in feedback en de studenten hadden hun score niet vernomen) en toen dacht toch nog 68% het er goed afgebracht te hebben. Ze waren op dat moment dus nog steeds “onbewust onbekwaam”.

Deze studenten strooien zichzelf en hun docenten zand in de ogen als ze verklaren voldoende competenties te hebben op het gebied van informatievaardigheid. Wat volgens mij ook meespeelt is dat veel studenten (en docenten?) het concept “informatievaardigheid” vertalen als “ik kan alles vinden”. Dat het een veel breder concept is, dat zich uitstrekt van zoeken tot wetenschappelijk publiceren, is nog steeds niet bij iedereen bekend.

Ook opvallend is het feit dat  de studenten te weinig geschoold waren in het (Amerikaanse) voortgezet onderwijs. In Nederland is de situatie niet veel rooskleuriger. De eerstejaars studenten die wij ontmoeten tijdens onze cursussen blijken zelfs  amper Google-vaardig te zijn, kennen Google Scholar of Google Books niet, en plagiëren er volkomen argeloos lustig op los. Er valt nog een wereld te winnen op dit gebied! Bijvoorbeeld: het beoordelen van zoekresultaten is een ondergeschoven kindje, wat zich steeds meer gaat fnuiken. Enkele weken geleden verscheen in Wired een alarmerend artikel hierover: 
http://www.wired.com/magazine/2011/11/st_thompson_searchresults/
 Ik citeer: “If they’re naive at Googling, it’s because the ability to judge information is almost never taught in school.”

* Het volledige artikel: Gross, M. Lathan, D. (2011) What’s skill got to do with it? Information literacy skills and self-views of ability among first-year college students. Journal of the American Society for Information Science and Technology (62) 12.  Met dank aan de collega’s uit Delft voor de tip!

Mediawijsheid gemeten

Iedereen lijkt zich opeens te storten op mediawijsheid. Eind september verscheen een omvangrijke publicatie met als titel: Meten van mediawijsheid: een studie naar een raamwerk, meetmiddelen en toepassing hiervan. Een projectgroep, gevormd door medewerkers van Blik op Media, Cinekid, Eye Film Instituut Nederland, Nieuws in de Klas, TNO en de Thorbecke Scholengemeenschap, heeft zich uitputtend met het onderwerp beziggehouden. Doel van het onderzoek was een meetinstrument te ontwikkelen waarmee mediawijsheid gemeten kan worden. Dat is grondig aangepakt. Vanuit de definitie van mediawijsheid worden vier kerncompetenties geformuleerd, die vervolgens in indicatoren worden vertaald. De vier kerncompetenties zijn Gebruik (technisch gericht, bediening van apparaten); Kritisch begrip; Communicatie; Strategie (beredeneerde keuzes maken voor mediagebruik). Een voorbeeld van een indicator die bij Kritisch begrip hoort is: Begrijpen hoe media-inhoud op specifieke doelgroepen wordt afgestemd.  Nadat het raamwerk was beschreven zijn twee pilots uitgevoerd om te onderzoeken of de indicatoren helpen bij het meten van (aspecten) van mediawijsheid. De eerste pilot betrof een onderzoek naar reclamebeinvloeding bij scholieren. De conclusie is eerlijk en teleurstellend: het meetinstrument was niet betrouwbaar en dus onbruikbaar. Een tweede pilot betrof interviews van een groep licht verstandelijk gehandicapten. Zij werden ondervraagd over hun internetgebruik en hun besef van de (on)veiligheid daarvan. Helaas was ook hier het meetinstrument niet goed genoeg, want teveel toegespitst op kennis in plaats van op gedrag, wat bij deze doelgroep passender was geweest.

Ondanks deze tegenvallers is het rapport zeer de moeite waard, vooral vanwege het raamwerk dat een dappere poging is om het vage begrip mediawijsheid heel wat concreter te maken. Hier kan op voortgebouwd worden.

Overigens wordt in het rapport nergens gerept over de door UNESCO genoemde naar elkaar toe groeien van informatievaardigheid en mediawijsheid. In dat rapport wordt gesproken over Media- and Information literacy. Wellicht kwam dát rapport net te laat.

Unesco’s indicatoren voor media- en informatievaardigheid

Unesco streeft naar maximale maatschappelijke participatie van burgers. Een van de onderwerpen waarmee ze zich in dit kader bezighouden is mediawijsheid en informatievaardigheid. Unesco heeft nu een rapport uitgebracht waarin een tweetal sets indicatoren wordt gepresenteerd om Media and Information Literacy (MIL) te meten. De eerste set is bedoeld om de MIL van een land in kaart te brengen. De tweede set richt zich op individuele vaardigheden. Het aardige is dat Unesco constateert dat er weinig verschil zit in de algemene concepten van mediawijsheid en informatievaardigheid. Het lijkt me echter een hele klus om de indicatoren op nationaal niveau boven water te halen. Wat te denken van de volgende  indicatoren?
% of .edu websites relative to the total number of websites
% of .gov websites relative to the total number of websites
En deze lijkt me ook verdraaid ingewikkeld meetbaar: Parental control of media
Maar vooruit, het geheel is een goed begin en het zet een belangwekkend onderwerp weer eens op de kaart buiten de bibliotheekomgeving. Het volledige rapport: 
http://www.ifla.org/files/information-literacy/publications/UNESCO_MIL%20Indicators_Background_Document_2011_final.pdf

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.