Categorie archief: Congresverslagen
Reaching researchers: LILAC 2012
Een aantal presentaties ging over de manier waarop de bibliotheek ondersteuning biedt aan onderzoekers. Uit de presentaties bleek dat je creatief moet zijn om onderzoekers te bereiken, want ze hebben op de eerste plaats geen tijd en op de tweede plaats denken ze vaak dat ze alles op het gebied van informatievaardigheid al weten. Dat is niet het geval, dat bleek al in 2008 in het RIN rapport Mind the skills gap. Ook in het recente RIN rapport The role of research supervisors in information literacy wordt dit beeld bevestigd.
De Graduate School van de University of Liverpool heeft een framework voor de opleiding van onderzoekers ontwikkeld waarin informatievaardigheid geintegreerd is opgenomen. Uiteraard is dit framework een wiel!
Vanuit de bibliotheek in Liverpool worden ‘events’ voor onderzoekers georganiseerd, bijvoorbeeld lunch bijeenkomsten over de manier hoe je er het beste voor kunt zorgen dat je als auteur goed scoort, wat citatie-analyses zijn, wat impactfactoren betekenen. Andere onderwerpen die aan bod komen zijn twitter voor onderzoekers, gebruiken van advanced zoeken in Google, hoe werkt de university press, werken met Endnote. Het zijn typisch onderwerpen die onderzoekers aanspreken en ze worden met opzet niet in de vorm van een cursus gegoten.
Een vorm waarbij studenten al vroeg bekend worden gemaakt met wetenschappelijk publiceren is ontwikkeld in St Andrews University. Zij hebben een peer reviewed e-journal gelanceerd, waarin tweedejaars studenten publiceren. Het gaat om het tijdschrift Ethnographic Encounters, dat via de software Open Journals System is ontwikkeld.
Meer informatie over bibliotheek support voor onderzoekers is te vinden in:
OCLC: A slice of research life: information support for research in the United States
RLUK: Re-skilling for research
Impact van bibliotheken: Oakleaf op LILAC 2012
In een sprankelende keynote van Megan Oakleaf werden we met de neus op de feiten gedrukt. Een bibliotheek heeft toegevoegde waarde als zij iets bijdraagt aan het behalen van de doelen van de moederorganisatie. In het onderwijs is dat onder andere “het leren van studenten”. We kunnen als bibliotheken nog helemaal niet aantonen dat wij daaraan bijdragen, want we kennen de feiten niet. Er komen wel steeds meer bewijzen *) voor de positieve correlatie tussen bibliotheekgebruik en het behalen van hogere cijfers, maar daarmee is niet het bewijs geleverd dat de bibliotheek ook daadwerkelijk bijdraagt aan het leren, onderwijs en studiesucces. In een veelbesproken artikel licht Oakleaf deze stelling nader toe: Are they learning? Are we?. We verzamelen domweg niet genoeg gegevens hierover en als we dat wel doen, dan doen we het niet systematisch. En zoals Oakleaf Deming citeerde: “In God we trust, all others must bring data”. Aan de hand van het bijgevoegde schema kan je deze zaken wel handig in kaart brengen.
*)
Huddersfield: Does library use affect student attainment? A preliminary report on the Library Impact Data Project
Wollongong: Measuring the value of library resources and student academic performance through relational datasets
Hongkong: Uncovering Meaningful Correlation between Student Academic Performance and Library Material Usage
Literatuurlijsten en informatievaardigheid: LILAC 2012
Afgelopen week was ik aanwezig bij het LILAC 2012 congres in Glasgow. Hier werd een aantal presentaties gegeven over de relatie tussen literatuurlijsten en informatievaardigheid. Een intrigerend onderwerp! In de presentatie “How can reading lists be effective information literacy tools?” bespraken medewerkers van de Robert Gordon University hoe zij verbanden gelegd hebben tussen literatuurlijsten en de information literacy skills van CILIP. Hun conclusies:
Alle lijsten hebben invloed op:
- besef dat je informatie nodig hebt
- bewustwording dat er meerdere bronnen beschikbaar zijn
- zoeken naar informatie in de catalogus en andere bestanden
Sommige lijsten hebben invloed op:
- evalueren van de resultaten
- verwerken van de informatie
Vrijwel nooit hebben lijsten invloed op:
- integer omgaan met informatie
- delen van informatie
- managen van informatie
Interessant is de gedachte dat je literatuurlijsten expliciet kunt richten op het informatievaardiger maken van studenten. Daartoe kan je bijvoorbeeld de taakgerichte opdrachten in de lijst invoegen, zoals een zoekopdracht in een database. Ook kan je verschillende soorten informatiebronnen opnemen in een lijst, en niet alleen boeken. Verder is het goed om rekening te houden met het niveau van de studenten: beginners kan je wat meer hulp bieden dan bijna afgestudeerden. Volgens de sprekers bestaat een goede bronnenlijst uit een structuur (verplicht, aanbevolen..), korte annotaties en een selectie van diverse bronnen (boeken, artikelen, video, etc). Bovendien is een goede lijst alleen maar goed als de bibliotheek de lijst ook kent! De sprekers pleitten voor sjablonen of checklists tbv het maken van literatuurlijsten.
Een andere presentatie sloot mooi aan op de vorige: Reading lists- time for a reality check? door medewerkers van de University of Northampton. Zij onderzochten de kwaliteit van literatuurlijsten: schrikbarend! Maar liefst 42% van de referenties was onjuist, 23% van de referenties betrof verouderde boeken, 97% van de e-books werd als gedrukt boek opgegeven en 73% bestond uit boeken terwijl docenten aangaven dat studenten zo weinig artikelen lazen. Kortom: het was duidelijk dat docenten geen prioriteit geven aan het maken van goede literatuurlijsten. Om de docenten te helpen de kwaliteit van de lijsten te verbeteren hebben ze een checklist gemaakt, waarbij ze erop aandringen dat docenten gebruik maken van de verplichte referentiestijl van de universiteit (Harvard style). Ook hebben ze een aantal voorbeeldlijsten gemaakt.
Op een vraag van mij naar het gebruik van readers in het onderwijs schoot men in de lach: die worden niet meer gemaakt. De meeste bibliotheken maken gebruik van speciale software voor het aanbieden van literatuurlijsten in de digitale leeromgeving. Bovendien worden readers gezien als tamelijk dodelijk voor het aanleren van informatievaardigheid.
Achtergrondliteratuur: Stokes, P., and Martin, L., (2008). Reading lists: a study of student and tutor perceptions, expectations, and realities. Studies in higher education, 33(2), pp. 113-125
Martin, L. and Stokes, P. (2006) Reading lists under the spotlight: Cinderella or superstar? SCONUL Focus. 37 (Spring), 33-36.
De waarde van bibliotheken
Nu budgetten overal onder druk staan is bij bibliotheken de behoefte groot om de waarde voor hun doelgroep/organisatie te bewijzen. Mijn vorige blogposts gingen vooral over input en output, nu gaat het over outcome. Wat is het resultaat van de output van de bibliotheek tbv de doelgroep? Dit is een lastige discussie en op het congres in York kwamen verschillende benaderingen aan bod, maar niemand had al een pasklaar antwoord. De discussie is ook breed: openbare bibliotheken hebben op een andere manier waarde dan academische bibliotheken. Ik richt mij op de laatste categorie.
ACRL publiceerde een jaar geleden een goed overzichtswerk: The value of academic libraries. Hierin worden 10 verschillende domeinen onderscheiden waarin de academische bibliotheek impact (en daardoor waarde) voor haar organisatie zou kunnen hebben. Samengevat hebben deze aspecten te maken met studenten (werving, studiesucces), het onderwijs (resultaten, tevredenheid), onderzoek (publicaties, “grants”) en de universiteit als organisatie (reputatie, ranking). Wil je de waarde van de academische bibliotheek in kaart brengen dan zou je ál deze aspecten moeten onderzoeken. Gelukkig is het ISO van Roswitha Poll bezig met een standaard “Methods and procedures for assessing the impact of libraries”. Helaas zijn ze bijna 2 jaar bezig geweest met de definities, dus het kan nog even duren…
Een integrale benadering van het onderwerp wordt gezocht in een scorecard voor “value“. Stephen Town (York) en Martha Kyrillidou (ARL) zijn hiermee aan de slag. Ook hier voorlopig nog een hoog abstractie gehalte en geen pasklare antwoorden. Belangrijkste en meest praktische aanwijzing: begin met het bepalen van de “value” en zoek daarna de “measures” erbij en niet andersom.
Twee universiteiten timmeren aan de weg met een deelaspect: de impact van de bibliotheek op studiesucces. Hudderfield heeft aangetoond dat studenten die met goede resultaten afstuderen ook vaker van bibliotheekdiensten gebruik hebben gemaakt. Over dit onderzoek heb ik al eerder geschreven. Een ander onderzoek met hetzelfde doel is dat van de Universiteit van Wollongong. Het lijkt veel op Huddersfield, alleen is dit project nog niet afgerond. Iedereen hoopt natuurlijk dat ook hier blijkt dat de bibliotheek invloed heeft op studiesucces.
Een goede poging om de waarde van de bibliotheek voor onderzoek en onderzoekers te beschrijven komt van het RIN. Ook zij komen nog niet verder dan het aangeven van de terreinen waarop de bibliotheek impact heeft, maar zij hebben nog geen concrete aanwijzingen hóe je dat vervolgens zou kunnen meten.
Een heel andere benadering is Return of Investment. Ofwel, hoeveel (financiële) baat heb je als organisatie bij een bibliotheek. Wat levert het op? Een belangrijke onderzoeker op dit terrein is Carol Tenopir, een van de keynote speakers in York. Zij heeft baanbrekend werk verricht en staat aan de basis van een website waar veel informatie over ROI te vinden is.
Alles samenvattend: het overtuigend bewijzen van de waarde van de bibliotheek voor haar moederorganisatie is een hele kluif, en er is nog niemand die hiervoor een werkbare methodiek heeft ontwikkeld.
(Uit)geteld in de bieb (2)
Verzamelen van statistieken is al een kunst op zich, maar nog lastiger wordt het als je wat zinnigs wilt gaan doen met die statistieken. Veel bibliotheken werken met prestatie-indicatoren. Het congres in York bood enkele presentaties over dit onderwerp. Een prestatie-indicator is een meetbare grootheid, die een aanwijzing geeft over onder meer de kwaliteit en doelmatigheid van bedrijfsprocessen, meestal aan de hand van een streefgetal of vastgestelde norm. Bijvoorbeeld: de prestatie-indicator voor werkplekken in de bibliotheek wordt berekend op basis van het aantal werkplekken tov het totaal aantal studenten waarvoor de plekken bedoeld zijn. Ook een leuke: hoeveel procent van de in jaar x aangeschafte boeken zijn in dat jaar uitgeleend? Dit soort berekeningen zijn natuurlijk voer voor eindeloze discussies in bibliotheken. Gelukkig is er een ISO norm waarin het allemaal al is beschreven: ISO 11620:2008 Library performance indicators. Er wordt in ISO verband gewerkt aan een update van deze norm, want 2008 is natuurlijk al weer wat aan de oude kant. Zo kom je in deze norm geen berekeningen tegen die te maken hebben met het gebruik van websites. Helaas gaan deze processen traag en zullen we nog wel even moeten wachten op de update. Toch wordt alom aangeraden om met de ISO norm te werken en niet zélf iets te gaan verzinnen.
Prestatie indicatoren kunnen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld in benchmarks (UKB-benchmark) of in balanced scorecards. Je kunt ze ook weergeven in dashboards, een soort cockpit-metertjes die in rood of groen uitslaan. Dat kan je gebruiken als je vooral intern je zaakjes goed wilt bijsturen.
Het is van belang om je niet te verliezen in eindeloze reeksen prestatie-indicatoren. Je kunt het beste een kleine set uitkiezen (tussen de 20 en 30 indicatoren) die in beeld brengen wat je als bibliotheek belangrijk vindt. Een gebruikersonderzoek (bv via LibQual) kan helpen om een selectie te maken, maar ook een beleidsplan biedt voldoende uitgangspunten om het vizier van de indicatoren op scherp te zetten. Een selectie prestatie indicatoren noemt men Kritische Prestatie Indicatoren (KPI). Als voorbeeld: UB in Nijmegen publiceert jaarlijks de resultaten van de KPI-metingen op hun website.
(Uit)geteld in de bieb
Aan de basis van alle activiteiten rondom het meten van kwaliteit in de bibliotheek liggen de statistieken. We kennen ze allemaal wel, de uitleenstatistiek, de IBL-statistiek, en de statistieken voor het gebruik van e-journals, e-books en databases. Statistiek van deze e-resources is een ingewikkeld terrein. Er zijn heel wat spelers in dit veld. In York woonde ik enkele presentaties hierover bij. Véél afkortingen, samenwerkingen en ingewikkelde berekeningen! Pfff. Een overzicht van de belangrijkste initiatieven:
Counter (Counting online usage of networked electronic resources). Counter is een internationaal project, waarin uitgevers, bibliotheken en consortia samenwerken om de statistieken van gebruik van elektronische informatie goed en betrouwbaar te regelen. Daarvoor is veel afstemming nodig, en COUNTER werkt daaraan. Een van de recente producten van dit project is JUF (Journal Usage Factor), een poging om het gebruik van e-journals door te berekenen naar een prestatie indicator waarmee de impact en kwaliteit van het tijdschrift in kaart kan worden gebracht.
Een andere project komt voort uit JISC (de Engelse SURF): Journal Usage Statistics Portal JUSP. Hierin werken 100 Engelse hoger onderwijsinstellingen samen met grote uitgevers aan een portal waarin deelnemende bibliotheken kunnen zien hoe de tijdschriften waarop zij licenties hebben, worden gebruikt.
De Engelse broer van het UKB is SCONUL, en zij hebben een uitgebreide website voor “performance” waaronder een portal voor alle statistieken die bibliotheken verzamelen, een soort uitgebreide UKB Benchmark.
Ook handig: een datafarm (Penn University) .
Tenslotte is er nog een club van “liefhebbers” van bibliotheekstatistieken: MUDL, Managing and understanding data in libraries.
Wat me bij dit alles vooral overviel was een fikse jaloezie op de Engelse situatie, waar dit allemaal al geregeld is. In Nederland hebben we nog heel wat stapjes te zetten! SURFdiensten en UKB, krijgen wij ook zoiets moois?
Mind the gap: gebruikersonderzoek met LibQual+
Er zijn voor- en tegenstanders van LibQual en zelfs de juiste uitspraak (lipkwal versus leipkwal) is onderwerp van discussie. Kortom: het bijwonen van workshops en presentaties over LibQual is een enerverende bezigheid. Dat ondervond ik vorige week op het performance measurement congres in York.
LibQual is een in Amerika ontwikkelde gestandaardiseerde webbased methode voor gebruikersonderzoek in bibliotheken. Medewerkers van de Texas A & M University hebben de methode ontwikkeld, zich daarbij baserend op een in de dienstverlening ontwikkeld model Servqual.
LibQual bestaat uit een vragenlijst (zie onderaan) van 22 items, die te groeperen zijn langs 3 dimensies:
1. De beleving van de dienstverlening
2. Informatie controle
3. Bibliotheek als een plaats.
Deze items zijn jaren geleden geselecteerd op basis van wat gebruikers het meest aangaven als belangrijkste dienst van de bibliotheek.
Aan gebruikers wordt gevraagd (een deel van, Libqual lite) deze vragen te scoren op: wat is het minimum niveau wat je acceptabel vindt; wat is het gewenste niveau; hoe scoort deze bibliotheek?
Als dit is ingevuld ontstaat een interessant beeld, waarbij de ‘gaps’ tussen gewenst niveau en ervaren niveau aangeven op welke gebieden de bibliotheek zich zou kunnen verbeteren. De uitkomsten worden door LibQual in radargraphics weergegeven. Ook is er een vrij commentaarveld beschikbaar. Naast de 22 standaardvragen kan je zelf 5 lokale vragen toevoegen. Een voorbeeld van een rapportage die LibQual levert is een recent “notebook” van Texas University.
Libqual wordt in honderden bibliotheken ingezet, al ruim 10 jaar. Het betreft vooral bibliotheken in Angelsaksische landen: USA, Groot Brittanie en Zuid Afrika. Maar in toenemende mate doen ook andere landen mee, zoals de franstalige Belgen en Scandinaviers. Er zijn trouwens ook nogal wat consortia die LibQual gebruiken. Ook LIBER onderzoekt de mogelijkheden van LibQual.De vragen zijn beschikbaar in het Nederlands. Toch is er in NL gslechts één bibliotheek die het gebruikt, de Universiteit Utrecht. Wageningen (de enige NL-bibliotheek die het gebruikte) is er dit jaar mee gestopt.
De voordelen zijn duidelijk: je hebt de beschikking over een gevalideerd instrument, je kunt benchmarken met (internationale) collega-bibliotheken, je kunt je verbeteringen monitoren en je geeft klanten een stem. Bovendien scheelt het enorm veel tijd als je niet zelf je onderzoek moet opstellen.
Nadelen zijn er ook: je kunt de vragen niet wijzigen, en ook niet je eigen ‘ branding’ meegeven. Een van de commentaren is dat de vragen niet relevant meer zijn, alhoewel dat in een recent onderzoek (Killick, najaar 2011) bestreden wordt. Ook is de respons vaak niet groot. Om dit laatste probleem op te lossen is nu de lite- versie besvhikbaar, waarbij klanten random een deel van de vragen krijgen voorgelegd. De respons is hiermee opeens verdubbeld.
Veel bibliotheken gebruiken naast LibQual andere onderzoeksmethoden om bepaalde onderwerpen verder uit te diepen. Denk hierbij onder andere aan focusgroepen. De meeste bibliotheken nemen LibQual eens in de twee of drie jaar af, omdat ze bang zijn anders de gebruikers af te stoten met teveel enquetes.
Veel informatie op het congres in York kwam uit de koker van de LibQual-fanclub. Een (wat oudere) en meer kritische beschouwing is te vinden in Edgar, William B. Quatsioninfg LibQual+: expanding its assessment of academic library effectiveness. In: portal: Libraries and the Academy 6(2006) 4, 445-465
De 22 standaardvragen:
Affect of Service
AS-1 Employees who instill confidence in users
AS-2 Giving users individual attention
AS-3 Employees who are consistently courteous
AS-4 Readiness to respond to users’ questions
AS-5 Employees who have the knowledge to answer user questions
AS-6 Employees who deal with users in a caring fashion
AS-7 Employees who understand the needs of their users
AS-8 Willingness to help users
AS-9 Dependability in handling users’ service problems
Information Control
IC-1 Making electronic resources accessible from my home or office
IC-2 A library Web site enabling me to locate information on my own
IC-3 The printed library materials I need for my work
IC-4 The electronic information resources I need
IC-5 Modern equipment that lets me easily access needed information
IC-6 Easy-to-use access tools that allow me to find things on my own
IC-7 Making information easily accessible for independent use
IC-8 Print and/or electronic journal collections I require for my work
Library as Place
LP-1 Library space that inspires study and learning
LP-2 Quiet space for individual activities
LP-3 A comfortable and inviting location
LP-4 A getaway for study, learning, or research
LP-5 Community space for group learning and group study
.
Alles van waarde is weerloos
Deze mooie dichtregel van Lucebert lijkt van toepassing op bibliotheken. Althans, dat is mijn indruk na 3 dagen congres over performance measurement in York. Veel, zo niet alle bijdragen hebben een wat zoekende toon. Hoe kunnen we overtuigend de waarde van bibliotheken aantonen nu de financiele middelen van universiteiten onder druk staan? Er gebeurt van alles op dat vlak: ISO-normen, impactmetingen (huddersfield ea), literatuurstudies (ACRL), value scorecard, gebruikersonderzoeken (LibQual) en nog veel meer. Als ik thuis ben zal ik het allemaal eens netjes, met links, op een rijtje gaan zetten. Het valt echter op dat niemand, hoe stellig of gepassioneerd de presentatie ook is, al weet hoe het zou moeten. Een van de intrigerende vragen is bijvoorbeeld hoe je de impact van een bibliotheek op studiesucces of op leren kunt aantonen. Helaas worden studiesucces en leren door zoveel factoren beinvloed dat het vrijwel onmogelijk is daar een bewijs uit te halen. Ook over Huddersfield blijf ik sceptisch. Zij tonen aan dat succesvolle studenten vaker de bibliotheek bezoeken en vaker databases raadplegen dan minder succesvolle studenten. Maar als succesvolle studenten gewoon slimmer zijn en betere studievaardigheden hebben en weten dat het handig is om naar de bibliotheek te gaan? Misschien tonen ze dat wel aan.
Ik heb deze dagen veel gehoord en veel informatie verzameld. Een aantal belangrijke bronnen heb ik getwitterd en ik zag dat ze al opgepikt zijn door anderen. Ik zal de komende weken eens goed door de stapel (op iPad) heen gaan en over relevante zaken bloggen. De twitterstream is ook interessant :#pm9york
Overwegingen in mijn cel
Nooit eerder woonde ik in een studentenkamer op een campus, maar deze week verblijf ik in een spartaanse cel op de campus in York. Ik bezoek hier het congres dat in 1 klap je hele twitterbericht beslaat: 9th Northumbria International Conference on Performance Measurement in Libraries and Information Services. Een van de opvallende uitkomsten van gebruikersonderzoeken van Angelsaksische academische bibliotheken is dat eerstejaars studenten graag comfortabele studieplekken in de bibliotheek zien. Als je weet dat vooral eerstejaars op de campus wonen, dan snap je dat ineens. Hun kamertje bevat een bed, een bureau met stoel en een kast. Mijn kamertje deze week ook. Ik klaag niet, het is leuk om dit eens te zien. De campus is een heel dorp, een eindje buiten de stad gelegen. Het is gebouwd in de zestiger jaren, dus veel beton in beeld. In het midden ligt een prachtig meertje. Een supermarkt, boekhandel en kapper completeren het dorpsgevoel, het is alleen helemaal uitgestorven. De zomervakantie duurt tot eind september en er lopen nu alleen maar bibliotheeknerds rond!
Tot nu toe heb ik al veel interessante verhalen gehoord en dat gaat nog drie dagen zo door. Een fantastische manier om snel op de hoogte te komen van alle ontwikkelingen op dit gebied. Er zijn deelnemers uit alle werelddelen, maar gek genoeg ben ik de enige hollander. Dat legt een zware last op mijn schouders om jullie allemaal op de hoogte te brengen. Ik neem daar de tijd voor, en zal in de komende weken steeds iets erover op dit blog schrijven.
Voor nu mijn belangrijkste indruk van vandaag: assessment van bibliotheken wordt elders uiterst professioneel aangepakt. De functienamen rollen over tafel: assessment librarians, data coordinators, service quality directors etc. In NL ken ik hier eigenlijk geen voorbeelden van, maar ik houd me aanbevolen voor tips. Waarom ik me hier mee bezighoud? Ik ben projectleider van een project waarbij we in de Leidse universitaire bibliotheken een methodiek opzetten voor het werken met prestatie indicatoren. Het project is nog in een beginfase, daarom komt dit congres juist nu zo goed uit. Ik kom boordevol goeie voorbeelden terug!
Op york.ac.uk/conferences/northumbria zijn de presentaties (later) terug te vinden.
Zoeken in de wolken, vinden in de bieb? LIBER
Op het LIBER congres in Barcelona zei Lorcan Dempsey iets waar ik sindsdien geregeld over loop te piekeren. Hij had het over de Universiteit van Bangor (Wales) waar vakreferenten niet meer nodig zijn omdat de technologie ervoor heeft gezorgd dat het zoeken van informatie geen specifieke vaardigheid meer vereist. Ik heb het hier nu niet over de taak van een vakreferent; die doen heel wat meer dan literatuur zoeken. Maar het feit dat deze uitspraak is gebaseerd op een beleidsplan van Bangor uit 2005 en dat Dempsey het nu nog aanhaalt betekent wél dat er iets met zoeken aan de hand is. De presentatie van Dempsey ging oa over outsourcen van activiteiten (in de cloud) en daarbij noemde hij als externe “leverancier” ook Google. Het blijkt dat bibliotheeksystemen steeds minder gebruikt worden om informatie over een bepaald onderwerp te vinden, domweg omdat Google, Google Scholar en Amazon veel gebruikersvriendelijker zijn. Je hebt feitelijk geen vaardigheid nodig om erin te zoeken. Je vindt altijd wel wat. Ook blijken studenten zich met name te richten op verplichte en aanbevolen literatuur, tips van docenten, en minder snel zélf op zoek te gaan naar aanvullende informatie. Kortom: de bibliotheeksystemen worden gebruikt voor het verkrijgen van de gevonden informate, de “known item searches“.
Veel bibliotheken, waaronder Leiden, zijn bezig met het inrichten van discovery layers. Daarbij proberen we de user interfaces eenvoudig te houden, onze klanten zijn tenslotte gewend aan Google. Dus één zoekbalk, en de verfijnmogelijkheden pas op het resultaatscherm (een soort van postcoördinatie in een nieuw jasje). Volgens een ándere LIBER presentatie ( Lorraine Beard, University of Manchester), waar PRIMO kort geleden in gebruik is genomen, is juist het zoeken naar “known items” bij deze eenvoudige interfaces lastiger. Er komt veel ruis mee.
Wat moet je als bibliotheek nou doen? Houd je de interface eenvoudig, dan is het zoeken naar known items lastiger en dat gebeurt juist vaker. Maak je interface daar meer voor geschikt, dan stoot je een groot aantal klanten af omdat het te moeilijk is. Gelukkig kunnen we alle toeters en bellen altijd nog kwijt op een advanced scherm!

